RET voor kinderen

1. verjaardag in het dierenrijk
Er heerste grote opwinding in het bos van Dierenrijk. Toon de schildpad, de oudste inwoner van Dierenrijk, zal over enkele dagen zijn honderdste verjaardag vieren. ‘s Middags, terwijl Toon een dutje doet, roept Maarten de Uil alle bewoners van Dieren­rijk bij elkaar. Hij wil met de andere dieren deze be­langrijke gebeurtenis bespreken.

‘Stilte! stilte!’, roept Maarten. ‘Jul­lie weten waarom ik jullie bij elkaar heb geroepen. We moeten bespreken hoe we Toon´s verjaardag vieren. Wie een voorstel heeft, steekt zijn poot of vleugel omhoog en krijgt het woord’. Poten en vleu­gels schoten de lucht in.

‘Sjakie de buidelrat’, zei Maarten, ‘jij bent eerst’.

‘Het zal iedereen wel duidelijk zijn’, begon Sjakie op overdreven deftige manier, ‘dat er slechts één perfect cadeau is voor onze zo gewaardeerde Toon. De moeilijk­heid is echter, hoe we dat perfecte cadeau kunnen vinden!’

‘Zijn de anderen het hiermee eens?’, vroeg Maarten de Uil.

Niemand wilde toegeven dat hij niet begreep wat Sjakie zei. Dus leek iedereen het ermee eens.

“Dat is dan afgesproken”, zei Maarten. “Het is nu dus zaak om dat perfecte cadeau te vinden. Heeft iemand een voorstel?”

“Ja, wij!”, riepen Snif, Snuf en Snoef Konijn in koor. “Jullie weten allemaal dat Toon iedereen voor was, toen hij die beroemde wedstrijd met onze voorvader Hans de Haas won. Daarom is volgens ons het beste cadeau een grote wortel met daarin gegraveerd “Doe maar rustig aan, dan kom je er wel!”

“Dat vind ik helemaal geen perfect cadeau”, snauwde Sjakie. “Toon houdt niet van wortels, zoals iedereen weet. Wat ik in gedachten heb, zal iedereen ontroeren en verbazen. Ik stel voor dat we onze poten uit de mouwen steken, en voor Toon een gang graven tussen de vijver en het grasland. Hij kan zich dan vrij rond bewegen zonder naar buiten te hoe­ven”.

“Dat lijkt me een stom cadeau”, oehoede Maarten. “Jij vindt zo´n gang misschien leuk, maar schildpad­den zien haast niets in het donker. Bovendien vindt Toon het fijn om in de frisse lucht te wandelen”.

“Dit wordt nog moeilijk”, dacht Maarten. Iedereen heeft zo zijn eigen mening over wat we moeten doen”. “Nou”, zei hij hardop, “ik geloof dat we het perfecte cadeau nog niet gevon­den hebben. Zijn er nog andere voorstellen? Piet de Pad, zeg jij het maar!”

“Ik voel me er erg opgewonden bij”, zei Piet de Pad. “Als snelle, hippe pad weet ik wel waar iedereen blij mee is. Hoe zouden jullie het vinden om Toon een eigen lelieblad te geven, helemaal met mos bedekt. Hij kan dan in de vijver rond­drij­ven, en van het zonnetje genieten. Ik word al opgewon­den bij het idee alleen!”

Maarten fronste het hoofd.

“Misschien dat jij dat zou willen, Piet, maar ik kan me nauwe­lijks voorstellen dat Toon gaat ronddrijven op zo’n blad. Waar vinden we bovendien een blad, dat groot en sterk genoeg is voor hem?”

“Moos de Muis”, ging Maarten verder, “wat stel jij voor als ideale cadeau voor Toontje?”

“Het leven is gelijk een bloem”, begon Moos die priester wilde worden. “Iedere ervaring kunnen we vergelijken met een bloem­blad. Toon verdient een bloem met veel bladeren, omdat hij rijk aan ervaring is”. Alle andere dieren begonnen te gapen.

“Ter zake Moos”, onderbrak Maarten. “We hebben niet veel tijd. Toon zal weldra wakker worden”.

“Het probleem is, dat er geen probleem is”, vervolgde de wijze Moos, vriendelijk lachend. “Weet je, wat voor iedereen hier perfect of wenselijk is, hoeft dat nog niet voor Toon te zijn. Er zijn veel cadeaus die we hem kunnen geven, en hij zal sommige leuker vinden dan andere. Er bestaat echter geen perfect cadeau!” “En of hij nu wel of niet waar­deert wat jullie hem geven, hij zal net zoveel om jullie geven. Mis­schien is het beste cadeau wel jullie vriendschap en lief­de!”

Even werd het stil in het bos. Iedereen dacht na over wat Moos gezegd had. “Het klinkt dwaas”, dachten Snif, Snuf en Snoef. “Ik begrijp het niet”, dacht Piet de Pad. “Moos is niet lek­ker”, dacht Sjakie de Buidelrat. “Ik denk dat we allemaal merken dat we het niet eens worden”, zei Maarten de Uil. “En dat geeft niet”.

De dag van Toon´s honderste verjaardag brak aan. Iedere bewoner van Dierenrijk gaf Toon een cadeau naar eigen keuze. Toon nam elk cadeau dankbaar in ontvangst. “Vrien­den”, zei hij tot tranen bewogen, “jullie zijn allemaal ver­schil­lend, maar jullie zijn allemaal mijn vrienden. Ieder heeft iets van zich­zelf gegeven, en dat is het beste geschenk dat bestaat”.
 
2. Pieter Pietersen leert vriendjes maken
De familie Pietersen woont al lange tijd in Pietersburg. Pieter Pietersen is er zelfs geboren. Hij heeft er altijd ge­woond. Op een dag verhuist de familie Pietersen naar Rand­stad, erg ver van Pietersburg. Pieter voelt zich bedroefd. Hij moet zijn beste vriendjes Jeroen en Tonnie achter­laten. Ook moet hij afscheid nemen van zijn school, van zijn favoriete klim­boom, zijn tuin, zijn huis en van zijn kamer. Het lijkt erop dat hij alles waar hij van houdt moet achterlaten, behalve zijn moeder, zijn vader en de hond Boris.

Als ze met de auto Pietersburg verlaten, voelt Pieter zich eenzaam en bang. “Laten we het als een groot avontuur zien”, zegt Pieters vader. “Denk eens, hoe spannend het is om in een nieuwe buurt te wonen. Je kunt er heel veel nieuwe vriendjes maken!”

Pieter geeft geen antwoord. Hij doet erg zijn best om niet te huilen. “Verhuizen is helemaal niet opwindend of avontuur­lijk”, denkt hij. “Ik vind het vreselijk. En waarom moet ik nieuwe vrienden maken? De vriendjes die ik heb zijn toch prima! Ik durf te wedden dat alle kinderen in Randstad gemeen en onvrien­delijk zijn. Wedden dat ik er nooit een vriend zal vinden”.

Naarmate de familie Pietersen dichter bij hun nieuwe huis komt, voelt Pieter zich bedroefder: hij raakt er steeds meer van overtuigd dat het een afschuwelijke plek is om te wonen.

Eindelijk komt de familie Pietersen aan bij hun nieuwe huis. “Het nieuwe huis ziet er wel leuk uit”, denkt Pieter. De tuin is gro­ter… en er staan enkele bomen waarin ik fijn kan klimmen. Mijn kamer is groter en zonniger. En de kelder is groot genoeg voor mijn trein en de tafeltennistafel. Maar het oude huis vind ik beter. En ik mis Jeroen en Tonnie… Ik wou dat ze hier waren om met me te spelen.”

Pieter heeft niemand om mee te spelen, dus speelt hij meestal met Boris in de tuin. Ze spelen krijgertje en verstoppertje en meer van zulke spelletjes. Pieter voelt zich niet geluk­kig. “Niet dat ik het niet leuk vind om met Boris te spelen”, zegt Pieter tegen zichzelf, “maar het wordt wat vervelend omdat hij niet tegen me kan praten”.

Vaak als Pieter met Boris aan het spelen is, kan hij andere kinderen in de tuin naast hem horen spelen. Ze spelen er verstoppertje en tikkertje en andere spelletjes. Soms als Pieter moe is van het spelen met Boris, klimt hij in een boom om naar hen te kijken. “Er moeten hiernaast een jongen en een meisje wonen. En nog wat meer jongens en meisjes aan de over­kant. En nog anderen in de buurt”, denkt Pieter. “Tjonge- het lijkt erop dat ze ple­zier hebben. Maar ja, zij kennen elkaar allemaal en mij kennen ze niet. Ze zullen waarschijnlijk rot tegen me doen. Behalve Boris heb ik trouwens toch geen vrien­den nodig”.

“Waarom ga je niet met die andere jongens en meisjes spelen?”, vraagt Pieters moeder soms. “Omdat ze me niet hebben ge­vraagd om met hen te spelen”, antwoordt Pieter dan. “Boven­dien zijn ze waarschijnlijk gemeen en onvriendelijk. Waarom moet ík vriend­schap met hen sluiten. Als ze vrienden willen zijn, komen ze maar naar mij toe”.

Iedere dag klimt Pieter in zijn boom en kijkt, hoe de andere kinderen plezier hebben en elke dag voelt hij zich eenzamer en eenzamer.

Op een dag, gaat Pieter naar buiten om krijgertje te spelen met Boris. Maar Boris is nergens te vinden. “Boris..! Bo­ris..! Waar ben je!”, roept Pieter luid. Hij zoekt alle favo­riete schuilplekjes van Boris af. Achter de rozenstruiken, onder de heg, bij de klimop. Maar Boris is er niet.

“Heb je Boris gezien, mam?” roept Pieter terwijl hij het huis binnenrent.

“Nee, ik heb hem de hele middag niet gezien”, antwoordt moe­der.

“Denk je dat hij is weggelopen en terug is gegaan naar Pie­tersburg?”, vraagt Pieter. “Ik wed dat hij is weggelopen om zijn vrienden weer te zien. Hij heeft zoveel vrienden in Pie­tersburg. Hij mist hen waarschijnlijk zo erg, dat hij heeft besloten om weer bij hen dan te gaan wonen. Ik zou dat ook wel willen”.

“Nou, Pieter, rustig maar”, zegt mevrouw Pietersen. “Boris is waarschijnlijk alleen de nieuwe buurt gaan verkennen. Ik weet zeker dat hij voor het eten thuis zal zijn. Als hij nog niet terug is als pa thuiskomt, gaan we hem met de auto zoe­ken”.

“Ik geloof er niks van dat hij de buurt aan het verkennen is” denkt Pieter terwijl hij de tuin inloopt. “Ik weet zeker dat hij weggelopen is om weer bij zijn oude vriendjes te zijn. Ik wou dat ik weg kon lopen om bij mijn oude vriendjes te zijn. Ik zal nog een keer de tuin doorzoeken. Misschien kan ik het beter zien als ik in een boom klim”.

Pieter klimt hoog in de boom. Hij kijkt de tuin rond en werpt een blik in de aangrenzende tuin. “Jee!”, verslikt hij zich. “Daar speelt Boris met een andere hond en al die kinderen!”

“Boris!”, roept hij. “Wat doe je daar? Kom onmiddellijk te­rug!”

De jongens en meisjes stoppen met hun spel, en kijken naar Pieter.

“Wat vervelend om in het middelpunt van de belangstelling te staan”, denkt deze.

“Ach, kom op, laat hem blijven. Hij maakt plezier met ons”, zegt het buurmeisje. “Hij heeft vriendschap gesloten met onze hond Boef… ze hebben de hele middag samen gespeeld”.

“Nou, dan mag hij wel blijven”, zegt Pieter.

“Hé”, zegt de buurjongen, “heb je zin om met ons te komen spelen?”

Pieter is verbaasd.

“Ik weet niet of dat wel kan”, antwoordt hij.

“Zie je wel”, zegt de jongen tegen zijn zusje, “ik heb je wel gezegd dat hij onvriendelijk is”.

“O, maar ik ben niet onvriendelijk!”, zegt Pieter. “Ik dacht alleen dat jullie misschien niet met mij wilden spelen”.

“Maar telkens als wij jou in die boom zagen zitten, of zagen dat je Boris uitliet, had je een grote frons op je gezicht”, antwoordt de jongen. “Dus dachten we dat je geen vriendje wilde zijn”.

“En ik dacht dat jullie onvriendelijk waren, omdat jullie me niet vroegen om mee te doen”, zegt Pieter. “Jee, dat is vreemd. Als jullie even wachten, klim ik naar beneden en kom ik naar jullie toe”.

Pieter voelt zich gelukkig als hij uit de boom klimt en naar de buren holt. “Ik denk dat je geen vrienden kunt maken door in een boom te zitten klagen”, zegt hij tegen zichzelf. “De beste manier om vrienden te maken, is zelf vriendelijk te zijn!”
3. Floortje flink houdt op met niezen 

Floortje Flink is allergisch voor veren, eieren, huismijt en plagen. De eerste drie allergieën kan ze goed onder controle houden door veren, bedden en kussens te vermijden, door geen eieren te eten en iedere maand een allergie- spuit te halen. Maar niets lijkt te helpen om haar allergie voor plagen te overwinnen. Wanneer iemand haar ook plaagt, begint Floor­tje van oor tot oor en van voorhoofd tot kin te blozen. Daarna krijgt ze uitslag op haar armen en hielen. En dan begint ze te huilen en krijgt ze trekkingen in haar neus en knieën. Bij dit alles voelt ze zich heel akelig.

Omdat Floortje op zo’n ongewone manier reageert op plagen, plagen sommige kinderen haar als ze maar de kans krijgen. “Het is zo leuk om Floortje te plagen!”, roepen ze, “Je hoeft maar “Huilebalk”, “Stommeling”, of “Zuur­pruim” te roepen en ze wordt rood en begint te jeuken en te trekken”. Het is voor iedereen leuk, behalve voor Floortje.

Bastiaan Flink, Floortjes broer, is de ergste plaaggeest van allemaal. Hij slaagt er altijd in om scheldwoorden te verzin­nen waar nog niemand op is gekomen. “Ik zie het als een uitda­ging aan mijn creativiteit”, legt Bastiaan uit. “‘s nachts lig ik nieuwe plagerijen te bedenken die ik op Floortje kan uit­probe­ren”.

Floortje probeert Bastiaan zoveel mogelijk te vermijden, omdat ze weet dat hij haar zal plagen. “Ik kan er niet tegen als hij me plaagt”, denkt Floortje. Ik kan er niet tegen, omdat ik denk dat ik echt een sproetenkop, een stomme trut, of een rare bloenpot ben, waarvoor hij me voor uitmaakt”.

Floortje is ervan overtuigd, dat iedereen haar plaagt. Bobbie Flink, de hond, verstopt haar schoenen en kauwt op haar kauw­gom en maakt haar ‘s morgens een uur eerder wakker dan nodig is. Als de vogels fluiten verbeeldt ze zich, dat deze haar uitlachen. Als winkeliers knipogen als ze voorbij loopt, denkt ze dat ze haar plagen. “Iedereen plaagt me”, zegt Floortje. “Nou, ik heb er genoeg van om steeds maar te jeuken en te trekken! Dus zullen ze moeten ophouden met me plagen. Anders wil ik niets meer met deze wereld te maken hebben”.

Floortje geeft de wereld twee weken om met het plagen op te houden. Maar de wereld behandelt haar niet anders dan daar­voor. Als de twee weken om zijn, beseft Floortje dat de wereld niet zal veranderen.

“Nou”, zegt Floortje bij zichzelf, “ik kan er niet meer tegen om geplaagd te worden. Dus het enige wat er nog voor me opzit, is te weigeren nog maar iets met de wereld te maken te heb­ben”.

De volgende ochtend besluit Floortje gewoon in bed te blijven in plaats van op te staan en dat geplaag te verdragen. Ze trekt de dekens over haar hoofd en steekt haar vingers in haar oren. Als Bobbie haar wakker komt maken, klemt ze zich aan de dekens vast en weigert er uit te komen. Daarna komt Bastiaan binnen om haar verschrikkelijk te plagen, maar Floortje is niet uit bed te krijgen. Ze weigert om met iemand te spreken en ze eet alleen als het eten op een dienblad bij haar bed wordt achtergelaten.

Floortjes ouders maken zich erg ongerust. Drie dagen nadat Floortje voor het eerst geweigerd heeft haar bed te verlaten, laten ze Dokter Fransen komen. Deze komt meteen en gaat op de grond zitten naast Floortjes bed. “Nou, Floor”, vraagt de dok­ter, wat is er aan de hand?” Eerst wil Floortje niets zeg­gen. Dan denkt ze, “eigenlijk heeft dokter Fransen me niet veel geplaagd. Hij heeft me zelfs geholpen met mijn andere aller­gieën -misschien kan hij me ook hiermee helpen! Ik ben het zat om de hele dag in bed te liggen. Het zou fijn zijn als ik hier op een andere manier mee om kan gaan”. Ze besluit met Dokter Fransen te praten. “Ik kan er niet meer tegen geplaagd te worden”, vertelt Floortje haar. “Dus kom ik er niet meer uit voordat iedereen daarmee ophoudt”.

“Zozo” zegt dokter Fransen. Mijn diagnose is dat je lijdt aan een ernstige “Lage Plaag Weerbaarheid”. Die klacht komt vaak voor. Ze kan erg pijnlijk zijn.

“Tjee, is dat erg?”, vraagt Floortje. Ze begint zich zorgen te maken.

“Ernstig, maar niet dodelijk -tenminste als je je medi­cijn ge­bruikt” antwoordt de dokter.

Floortje steekt haar hoofd boven de dekens. “Wat is het medi­cijn”, vraagt ze.

“Op de eerste plaats”, begint dokter Fransen, voel je je rot als iemand je plaagt, omdat je gelooft dat je bent wat andere mensen zeggen dat je bent. Als ik je bijvoorbeeld een akelige heks noem, hoe zul je je dan voelen?”

“Afschuwelijk”, antwoordt Floortje. Haar neus begint te trek­ken. “Het is toch ook verschrikkelijks om zoiets te zijn”

“Maar zou je echt een akelige heks zijn?” vraagt dokter Fran­sen. Floortje denkt even na. “Nou”, antwoordt ze, “ik denk dat ik nog steeds mezelf zal zijn, maar ik zal me afschu­welijk voelen”.

“Dat is omdat je de kritiek van anderen veel te serieus neemt”, zegt dokter Fransen. “Deze heeft niet de magische kracht om jou in een akelige heks te veranderen, tenzij jij gelooft dat dat wel kan. Als jij me een gerimpelde citroen noemt wie zal ik dan zijn?”

“Ik denk nog steeds dokter Fransen”, geeft Floortje toe. Ze merkt dat het trekken heeft opgehouden.

“Juist”, zegt de dokter. “Probeer te onthouden dat het niet de plaaggeesten zijn die je je ellendig en jeukerig laten voe­len -dat doet wat jij jezelf vertelt over wat zij zeggen“.

“Bedoelt u dat ik allergisch ben voor mijn eigen gedachten?”, vraagt Floortje.

“Zo kun je het zeggen”, beaamt dokter Fransen. En de beste manier om jezelf van die allergie te genezen is je gedachten te veranderen en te beseffen dat je niet bent waarvoor iemand je uitmaakt. En zelfs als je het niet leuk vindt om geplaagd te worden, kun je er nog wel tegen. Je hebt er al heel lang tegen gekund”.

Floortje komt haar bed uit. Ze is vastbesloten zichzelf van haar “Lage Plaag Weerbaarheid” te genezen. Ze verstopt zich niet meer voor Bastiaan en beseft al snel dat Bastiaan’s plagerijen haar niet meer overstuur maken. Ze jeukt niet meer, trekt, huilt of bloost niet meer. En buurtkinderen plagen haar niet meer, omdat ze niet meer zo ongewoon rea­geert.

“Ik mag dan nog steeds allergisch zijn voor veren, eieren en huismijt”, denkt Floortje gelukkig, “maar ik heb mijn allergie voor plagen overwonnen. Ik weet nu dat ik Floortje Flink blijf, hoe anderen me ook noemen!”
 
4. De onvolmaakte prins
Prins Joris Perfect is gezond, rijk, en meestal ook erg wijs. Hij is dus bijna een volmaakt vorst van het koninkrijk Meer­danvolmaakt. Hij heeft alles mee om een groot vorst te worden. Hij is op maandag geboren, en daarom een snoepje om te zien. Op school is hij aanvoerder van het voet­balteam, en staat hij borg voor een spannende wedstrijd. Hij is muzi­kaal, heeft oog voor kunst, en schrijft zelfs gedich­ten. Ook is hij amateur-sterrekundige en studeert hij plant­kunde. Bovendien is hij spaarzaam, en verzamelt hij alle zegel­tjes en bonnen van de boodschappen uit zijn konink­lijke super­markt. Prins Joris is vriendelijk voor kind en die­r.

Misschien denkt je nu, dat Prins Joris de gelukkigste vorst van de wereld is. Maar niets is minder waar. Onze arme prins is niet volmaakt; hij is immers slechts bijna volmaakt.

“Ik ben een koninklijk heerser”, denkt Prins Joris, “en dus moet ik de beste heerser ter wereld zijn. In alles moet ik de beste zijn. Al mijn onderdanen moeten gelukkig zijn. Elke voetbal­wedstrijd die ik speel moet ik winnen. Ik moet in het mooiste paleis wonen, en ik moet altijd de wijste beslissingen nemen”. Er volgt nog een lange lijst met moetens. “Als ik niet volmaakt ben en in alles de beste, ben ik een misluk­keling”, houdt hij zich voor “en dat is vreselijk”.

Onze prins gelooft, dat zijn eigenwaarde afhankelijk is van zijn prestaties. Daarom streeft hij ernaar, om overal succes in te hebben. Hij dwingt zichzelf om zijn werk zo goed te doen, zodat hij geen enkele fout zal maken. Hij doet zijn werk van zonsopgang tot zonsondergang, en stapt als eerste ´s morgens het bed uit, om er als laatste ´s avonds in te duiken. Ook in zijn droom is hij nog met regeren bezig. Hij werkt onder het eten en in bad. Elke minuut besteedt hij aan zijn werk en hij probeert zo volmaakt te worden. Prins Joris Per­fect heeft geen tijd voor flauwekulletjes of voor grapjes, hij is vastbesloten om de beste koning allertijden te worden.

Terwijl hij op een dag met staatszaken bezig is, komt er een kind voorbij dat hem aan het schrikken maakt. “Neem me niet kwalijk majesteit”, zegt het aarzelend, “maar het lijkt wel alsof u nooit meer lacht en speelt met andere kinderen in de paleistuin. We missen u erg.”

“Doe niet zo mal” antwoordt Prins Joris, “ik lach altijd. Ik heb alleen geen tijd meer voor spelletjes. Ik heb be­langrijker dingen aan mijn hoofd”.

Het kind zucht diep, en rent weg. Prins Joris ziet in, dat hij het kind heeft afgesnauwd, en dat is erg onvolmaakt… Hij beseft dat hij ondanks alle pogingen nog verre van volmaakt is, en voelt zich daar ellendig bij.

“Ik kan er niet tegen om onvolmaakt te zijn, en ik kan niet tegen het vooruitzicht dat ik fouten zal maken tijdens mijn koningschap. Maar ik wil ook geen afstand doen van de troon”. Prins Joris Perfect jammert, denkt, en denkt…

Dan opeens roept hij uit:”Ik weet wat ik moet doen. Ik zal een bezoek brengen aan vorsten. Ik zal hen bestuderen en met hen praten. Zo kan ik er achter komen, hoe ik volmaakt kan regeren en toch nog tijd overhoud voor plezier”.

Als eerste land bezoekt hij het koninkrijk Kruimelland, waar Koning Dikbuik regeert. Na een hartelijk ontvangst legt Prins Joris zijn probleem voor. Hij vraagt Koning Dikbuik of hij weleens fouten maakt.

“Nee ik maak geen fouten” -lacht de koning. “Ik vermijd ze als de pest. De hele dag breng ik in mijn kamer door, en tel mijn gouden dukaten. Ik laat mijn mensen voor zichzelf zorgen. Zij maken zo de fouten voor me, maar dat vinden ze niet erg. Het zijn toch maar boeren. Als je geen fouten wilt maken, raad ik je aan hetzelfde te doen. Blijf in je kamer, en tel je duka­ten”.

“Ik geloof toch niet dat dit de goede oplossing is”, denkt Prins Joris Perfect, en hij reist door naar het Konink­rijk van Eeuwig Geluk. Daar regeert Koningin IJdeltuit. “De mensen hier lijken me niet echt blij” denkt Prins Joris, terwijl hij naar de troonzaal loopt. Ook aan Koningin IJdeltuit legt hij zijn probleem voor.

“Ik maak nooit fouten” antwoordt zij “want ik ben mooi, goed, rechtvaardig en volmaakt. Als mijn onderdanen het daarin niet met me eens zijn, hak ik meteen hun hoofden af”

“Dat lijkt me ook geen goede oplossing” denkt onze prins, en hij reist door naar Droomland, waar Prins Delirium regeert. Prins Delirium is een magere, bevende man, die eruit ziet alsof hij doodziek is. “Misschien heeft Prins Delirium toch de oplossing” hoopt Prins Joris. Maar helaas blijkt ook dat niet het geval.

“Ik maak geen fouten” krijst Prins Delirium. “Ik doe alleen dingen die ik perfect kan, namelijk slapen en alcohol drinken”

Prins Joris zwerft door de bossen en neemt plaats op een boomstronk aan de kant van een riviertje. Somber staart hij naar zijn spiegelbeeld in het water. Hij is dood­onge­lukkig. “Het lijkt erop dat niemand me kan helpen”, zucht hij. Plotse­ling ontdekt hij een vreemd en wonderbaarlijk spiegelbeeld naast hem in het water. Hij haalt diep adem, springt overeind, en staat oog in oog met een zonderling geklede man. “Neem me niet kwalijk meneer, maar bent u soms een tovenaar?” vraagt Prins Joris. “Nee hoor”, antwoordt deze, want tovenarij be­staat niet. Maar soms doe ik wel toverkunst­jes. En als ik jou daar zo zie zitten, dan lijkt me dit een geschikt moment ervoor. Vertel op, wat is er mis?”

“Ik ben Prins Joris Perfect, en ik heb een probleem waarbij ik wel toverkunstjes kan gebruiken. Ik weet namelijk niet hoe ik een volmaakt vorst moet worden. Ik blijf maar fouten maken. Wat denk u, kan tovenarij helpen?”

“Tovenarij waarschijnlijk niet, maar met gezond verstand kun je ook een eind komen. Wat wil je eigenlijk worden? Een tweede Koning Karel de Grote? Ook hij maakte fouten. Ik zal je een geheim verklappen. Er bestaan geen volmaakte vorsten, of mensen zonder gebreken. Ook koningen zijn maar mensen, en maken dus fouten. Denk daar maar eens over na. Heb je ooit een volmaakt mens gezien?”

“Nou, uh… nee” geeft Prins Joris toe. Hij beseft dat hij nog nooit een volmaakt mens heeft gezien. Toch voelt hij er weinig voor om dit als oplossing voor zijn probleem te zien. Kunt u dan werkelijk niets doen om me volmaakt te maken?”, vraagt hij.

“Nou, laat ik eens even kijken”, peinst de vreemdeling, ter­wijl hij in zijn handen wrijft. “Oja, ik weet al iets. Jij wil graag volmaakt zijn, maar mensen zijn nooit volmaakt. Daarom kan ik je daar alleen bij helpen, door je om te toveren in een volmaakte paddestoel”. Blij met zijn oplossing stroopt hij zijn mouwen op.

“Oh nee, nee…” roept Prins Joris uit. Dan ben ik nog liever een onvolmaakt mens. Maar hoe kan ik me daar dan minder druk over maken?”

“Nou”, zei de vreemdeling, “er zijn een paar dingen die je kunt doen om gemakkelijker door het leven te gaan. Op de eerste plaats kun je -als je ervoor kiest om mens te blijven- ervoor kiezen om van jezelf te hou­den, ondanks je fouten. Sla je voortaan niet meer voor je hoofd bij elke fout die je maakt. Daar krijg je alleen maar koppijn van. Op de tweede plaats zul je je beter voelen, als je plezier zoekt, in plaats van prestatie. Je zult dan waarschijnlijk ook een beter vorst zijn, omdat de meeste mensen de dingen ook beter doen waar ze plezier in hebben. Met andere woorden: doe je best, in plaats van het allemaal zo goed mogelijk te moeten doen. Je zult je dan een stuk gelukkiger voelen”.

Prins Joris keerde terug naar zijn koninkrijk, en probeerde zich alles te herinneren wat de vreemdeling hem had gezegd. Zijn eerste officiële daad bestaat eruit, om het koninklijk motto “Streef naar perfectie” te veranderen in “Zoek plezier in plaats van prestatie”. Tot de dag van vandaag leeft Prins Joris een zeer onvolmaakt leven, en weet hij dat hij ook nooit volmaakt zal worden. Maar sinds hij heeft geleerd om van zichzelf te houden zoals hij is, leven hij en zijn onderdanen een veel gelukkiger leven.

Comments are closed.